Argumentatio-1

Paragraaf 44

an amandarat hunc sic ut esset in agro ac tantum modo aleretur ad villam, ut commodis omnibus careret? quid? si constat hunc non modo colendis praediis praefuisse sed certis fundis patre vivo frui solitum esse, tamenne haec a te vita eius rusticana relegatio atque amandatio appellabitur? vides, Eruci, quantum distet argumentatio tua ab re ipsa atque a veritate. quod consuetudine patres faciunt, id quasi novum reprehendis; quod benivolentia fit, id odio factum criminaris; quod honoris causa pater filio suo concessit, id eum supplici causa fecisse dicis.

 

amandarat – relegatio atque amandatio: het woord amandatio is behalve in deze speech niet in het klassieke Latijn bekend; misschien heeft Cicero het hier verzonnen. Door in dezelfde alinea ook het werkwoord amandare te gebruiken, geeft Cicero extra nadruk aan deze ongebruikelijke term (zie commentaar bij §42).

quod consuetudine – quod benevolentia – quod honoris causa: tricolon crescens (zie thema stijlfiguren) met in elk deel een antithese (consuetudo – novum; benevolentia – odium; honos – supplicium). Hierdoor wordt benadrukt dat Erucius in zijn pleidooi de feiten volkomen verkeerd geïnterpreteerd heeft.

consuetudine patres faciunt – quasi novum reprehendis: de formulering vat Cicero’s argumentatie hier en op andere plekken in de speech samen: de Roscii, vader en zoon, vertegenwoordigen als niet-stedelingen de mos maiorum, Erucius als stadsmens kent deze echter niet meer en gelooft dat de traditie iets nieuws (en dus iets slechts) is. Consuetudo als kernbegrip van het ouderwetse landleven staat ook in §45 en is deel van de constantia van vader en zoon Roscius (zie §41), terwijl in §3 staat dat in Rome de consuetudo ignoscendi et cognoscendi verdwenen is.

ad villam: de villa was de kern van een landgoed (fundum, praedium), een groot huis waarin de beheerder van het landgoed en zijn personeel (vaak slaven) woonden.

patre vivo frui solitum esse: Sextus Roscius junior was, toen zijn vader nog leefde, aan diens gezag onderworpen. Deze kon hem weliswaar toestaan de opbrengst van enkele percelen daarvan voor zichzelf te houden (frui), maar dit laatste was juridisch niet echt relevant, omdat de zoon niet een eigen vermogen kon hebben.