Argumentatio-1

Paragraaf 46

si tibi fortuna non dedit ut patre certo nascerere ex quo intellegere posses qui animus patrius in liberos esset, at natura certe dedit ut humanitatis non parum haberes; eo accessit studium doctrinae ut ne a litteris quidem alienus esses. ecquid tandem tibi videtur, ut ad fabulas veniamus, senex ille Caecilianus minoris facere Eutychum, filium rusticum, quam illum alterum, Chaerestratum? — nam, ut opinor, hoc nomine est — alterum in urbe secum honoris causa habere, alterum rus supplici causa relegasse? 

 

si … non dedit: de directe aantijging versterkt de indruk van Cicero’s soeveraniteit en Erucius’ hulpeloosheid (zie §38 en 45).

studium doctrinae, a litteris non alienus: de vernietiging van Erucius’ autoriteit gaat door: na de aanval geeft Cicero (nogal hooghartig) de tegenstander een klopje op de schouder en erkent dat hij toch wel iets van opleiding bezit. Maar het ‘compliment’ is zo geformuleerd dat er meer venijn dan echte lof in zit (vooral studium doctrinae – dus hij bezit nog geen doctrina, net als een leerling op school).

ad fabulas: Cicero suggereert dat hij de hele rechtszaak als een toneelstuk beschouwt (zie commentaar bij §17). Tegelijkertijd demonstreert de jonge advocaat zijn vertrouwdheid met de literatuur. Hij kiest voor de (voor ons grotendeels verloren) komedie Hypobolimaeus van de dichter Caecilius Statius die in de 2e eeuw v.Chr. leefde. Het grapje nam, ut opinor, hoc nomine est is alleen een schijnbare onzekerheid over de naam van een van de rollen in het stuk: natuurlijk weet Cicero het heel goed.

patre certo: Cicero maakt hier een toespeling op het feit dat Erucius niet geboren was in een geldig Romeins huwelijk. Hij suggereert hiermee dat Erucius’ moeder een slavin was en hij zelf een vrijgelatene. Anders dan tegenwoordig stond het een advocaat vrij om de tegenpartij incl. diens advocaten in een kwaad daglicht te stellen.