Argumentatio-1

Paragraaf 51

 neque ego haec eo profero quo conferenda sint cum hisce de quibus nunc quaerimus, sed ut illud intellegatur, cum apud maiores nostros summi viri clarissimique homines qui omni tempore ad gubernacula rei publicae sedere debebant tamen in agris quoque colendis aliquantum operae temporisque consumpserint, ignosci oportere ei homini qui se fateatur esse rusticum, cum ruri adsiduus semper vixerit, cum praesertim nihil esset quod aut patri gratius aut sibi iucundius aut re vera honestius facere posset

 

De hele paragraaf bestaat uit een lange periodische zin, een syntactische eenheid die de verbondenheid van de exempla van het verleden en Roscius nu wat betreft hun sobere karakter onderstreept.

quo conferenda sint: licht ironisch: natuurlijk is Roscius geen staatsman, maar toch wil Cicero hem wel degelijk associëren met de goede oude tijd. Zie §26 voor een eerdere associatie van de inwoners van Ameria en de mos maiorum.

ei homini: veralgemenisering van de situatie van Roscius, waardoor er sprake lijkt van een algemene norm

patri gratius – sibi iucundius – re vera honestius: climactische tricolon (zie thema stijlfiguren); het derde element is niet helemaal parallel geconstrueerd: in plaats van een dativus (die aangeeft voor wie de eerste twee eigenschappen van Roscius een voordeel waren) staat er een waarderend adverbium: Roscius leefde onbetwist en (impliciet) in de ogen van iedereen een zeer eervol leven.

eo ... quo: ‘om die reden ... omdat’

conferenda: conferre hier in de betekenis ‘vergelijken’.

ruri: ‘op het land’ (locativus).