Argumentatio-1

Paragraaf 53

verum haec tu quoque intellegis esse nugatoria; illud quod coepimus videamus, quo certius argumentum odi reperiri nullo modo potest. 'exheredare pater filium cogitabat.' Mitto quaerere qua de causa; quaero qui scias; tametsi te dicere atque enumerare causas omnis oportebat, et id erat certi accusatoris officium qui tanti sceleris argueret explicare omnia vitia ac peccata fili quibus incensus parens potuerit animum inducere ut naturam ipsam vinceret, ut amorem illum penitus insitum eiceret ex animo, ut denique patrem esse. sese oblivisceretur; quae sine magnis huiusce peccatis accidere potuisse non arbitror.

 

exheredare … cogitabat: drievoudige herhaling van dit punt (zie §52 en 54).

mitte quaerere qua de causa; quaero qui scias: de vierfoudige qu-alliteratie (zie thema stijlfiguren) benadrukt dat Cicero de controle van het proces heeft overgenomen: het is niet meer aan Erucius om vragen te stellen, maar Cicero vraagt nu Erucius over zijn manier van procesvoering.

naturam ipsam vinceret – amorem illum eiceret – patrem esse sese oblivisceretur: tricolon (zie thema stijlfiguren) dat de ernst van de aanklacht nog eens onderstreept. Denk ook aan §46 waar Cicero suggereerde dat Roscius weinig verstand heeft van de natuurlijke gevoelens van vaders tegen hun zonen.

esse sese: anagram (zie thema stijlfiguren) dat twee bijna gelijkluidende woorden oplevert en een sterk klankeffect veroorzaakt.

magnis huiusce peccatis: herhaalt vitia et peccata fili en benadrukt nog eens wat Erucius in zijn pleidooi gemist heeft.

Mitto quaerere, qua de causa: Cicero kan moeilijk anders, want hij had de twee redenen die Erucius als reden voor de onterving had genoemd (dat de vader zijn zoon haatte en hem naar het land had ‘verbannen’) als aparte argumenten behandeld en onderuit gehaald. Zie commentaar bij par. 40.

certi accusatoria officium: opnieuw (zie §38 en 45) geeft Cicero Erucius een retorische les: het woord officium duidt op de vijf officia oratoris (taken van de redenaar: inventio, het vinden van de juiste argumenten en thema’s; dispositio, de structuur van het betoog; elocutio, verwoording, memoria, het uit het hoofd leren, en actio, eigenlijke opvoering van de speech). Erucius’ fout ligt in de inventio: hij heeft niet de noodzakelijke argumenten gebruikt om een zo zware beschuldiging te onderbouwen. Dat wordt in §54 nog verder uitgelegd.

 

 

illud quod coepimus videamus: ‘laten we kijken naar het punt dat ik zojuist aankaartte’ (lett. dat wij begonnen’).

quo certius argumentum odi reperiri nullo modo potest: ‘dan hetwelk een zekerder bewijs van haat op geen enkele wijze kan worden gevonden’, d.w.z. ‘het zekerste bewijs van haat dat men kan vinden’. Het relativum quo is abl. comparationis bij certius; odi = odii.

mitto: = omitto.

quaero qui scias: qui is hier geen relativum, maar een interrogatief adverbium (‘hoe’).

omnia vitia ac peccata fili, quibus accensus parens potuerit: lett. ‘alle fouten en zonden van de zoon, door welke in woede onstoken zijnde de vader het heeft bestaan om etc.’ De zin is lastig te vertalen omdat het relativum quibus verbonden is met het participium incensus en niet met de persoonsvorm potuerit.