Argumentatio-1

Paragraaf 55

nemo nostrum est, Eruci, quin sciat tibi inimicitias cum Sex. Roscio nullas esse; vident omnes qua de causa huic inimicus venias; sciunt huiusce pecunia te adductum esse quid ergo est? ita tamen quaestus te cupidum esse oportebat ut horum existimationem et legem Remmiam putares aliquid valere oportere.

 

nemo nostrum – omnes: hyperbool (zie thema stijlfiguren). Cicero suggereert daarmee en met het tricolon quin sciat – vident – sciunt hoe overduidelijk de zaak en zijn gelijk is.

ut metu contineatur audacia: Cicero formuleert een algemene norm. Het is opvallend dat Cicero geen neutralere term gebruikt (‘misdaad’, bijv. crimen, facinus), maar kiest voor audacia waarvan hij vanaf het begin van zijn speech zijn tegenstanders beschuldigt (zie §7). Hier geeft het begrip samen met de allitererende woorden accusatores/accusatoribus aan het begin en het einde van de zin een gevoel van evenwicht en samenhang.

illudamur: door de herhaling van het woord (zie §54) wordt het publiek duidelijk gemaakt dat deze passage toch met Erucius te maken zal hebben.

verum tamen – verumtamen – tamen – tametsi – tamen: de vijf keer gebruikte tegenstelling die tamen inleidt zorgt ervoor dat de zin moeilijk te begrijpen is. Misschien wil Cicero hiermee markeren hoe moeilijk het voor hem is om enigszins positief over Erucius’ rol (niet Erucius zelf!) te spreken, omdat hij hem daarvoor zo vaak belachelijk gemaakt heeft. Zoals uit het vervolg zal blijken, is de passage dan ook helemaal niet positief, maar eindigt met een impliciete bedreiging van Erucius.

legem Remmiam: deze wet had betrekking op calumnia, het brengen van een valse aanklacht. Na een vrijspraak moest dezelfde juryrechtbank onderzoeken of de aanklager te goeder trouw was geweest. Als bleek dat deze uit  lichtzinnigheid of boosaardigheid had gehandeld, werd hij gestraft met infamia. Dit hield in dat zijn rechten als burger aanzienlijk werden ingeperkt.

accusatores multos: Cicero voegt een digressie in die uiteindelijk aanklagers belachelijk wil maken. Cicero zelf zou in zijn leven niet vaak de rol van aanklager op zich nemen – hij zag zichzelf eerder in de rol van verdediger (misschien omdat dat een vriendelijkere associatie opwekte: de verdediger helpt immers een medeburger, terwijl de aanklager hem wil straffen), zie ook §56.

criminose – suspiciose – ludificari - calumniari: Cicero stelt hier het serieuze aanklagen (criminose) en verdacht maken (suspiciose) tegenover het opzettelijk bespotten (ludificari) en lasteren (calumniari).

nemo nostrum est ... quin sciat: ‘er is niemand van ons ... die niet weet’; quin is hier gelijk aan qui non (zie Pinkster s.v. quin II.3).

quaestus: gen. bij cupidum (‘begerig naar winst’).