Argumentatio-1

Paragraaf 66

videtisne quos nobis poetae tradiderunt patris ulciscendi causa supplicium de matre sumpsisse, cum praesertim deorum immortalium iussis atque oraculis id fecisse dicantur, tamen ut eos agitent Furiae neque consistere umquam patiantur, quod ne pii quidem sine scelere esse potuerunt? sic se res habet, iudices: magnam vim, magnam necessitatem, magnam possidet religionem paternus maternusque sanguis; ex quo si qua macula concepta est, non modo elui non potest verum usque eo permanat ad animum ut summus furor atque amentia consequatur. 

 

furor atque amentia: het hendiadys verwijst terug naar §62.

magnam vim, magnam necessitatem, magnam possidet religionem: tricolon crescens (het derde colon is het langste, zie thema stijlfiguren). Het woord religio is ook inhoudelijk het zwaarste (en neemt het eerder genoemde pii op, zie ook impie §67): het verwijst naar een plicht jegens goden en ouders (zie §65 voor divina artque humana iura).

poetae tradiderunt: van een voorbeeld uit de recente geschiedenis gaat Cicero over naar de mythologie. De overgang voelt vloeiend aan omdat Cicero al in §65 de nadruk op menselijk en goddelijk recht had gelegd; de verhouding tussen die twee staat in mythologische verhalen vaak centraal. Cicero denkt in het bijzonder aan toneelstukken waarin mythische verhalen verteld werden, zie §67.

patris ulciscendi supplicium de matre sumpsisse: de beschrijving past bij twee mythische helden: Orestes die zijn moeder Clytaemnestra doodt om zijn vader Agamemnon te wreken, en Alcmaeon, die zijn moeder Eriphyle doodt om zijn vader Amphiaraus te wreken. Orestes en Agamemnon waren ook protagonisten in toneelstukken.