Argumentatio-1

Paragraaf 73

Vtrum quid agatur non vides, an apud quos agatur? agitur de parricidio quod sine multis causis suscipi non potest; apud homines autem prudentissimos agitur qui intellegunt neminem ne minimum quidem maleficium sine causa admittere.
esto, causam proferre non potes. tametsi statim vicisse debeo, tamen de meo iure decedam et tibi quod in alia causa non concederem in hac concedam fretus huius innocentia. non quaero abs te qua re patrem Sex. Roscius occiderit, quaero quo modo occiderit. ita quaero abs te, C. Eruci: quo modo, et sic tecum agam ut meo loco vel respondendi vel interpellandi tibi potestatem faciam vel etiam, si quid voles, interrogandi. 

homines prudentissimos: Cicero past een bekende retorische strategie toe: hij spreekt positief over de rechters om hun welwillendheid te winnen. Maar natuurlijk zit er ook altijd een aansporend element in zo’n lof: de rechters moeten het waarmaken door zich in hun oordeel verstandig te tonen en zich niet door de aanklacht van Erucius en de macht van Chrysogonus te laten beïnvloeden.

intellegunt: de rechters krijgen hier een mening opgedrongen via het factieve werkwoord 'intellegere': het object van 'begrijpen' wordt impliciet als feit gepresenteerd.

sine causis – sine causa – causam: herhalend polyptoton (zie thema stijlfiguren) om nog eens te benadrukken dat niemand een vadermoord pleegt zonder heel sterke motieven.

neminem ne minimum: spel met woorden die bijna hetzelfde klinken (zie thema stijlfiguren).

maleficium: zie §72 voor het herhaaldelijk gebruik van dit woord hier.

quomodo occiderit – quomodo – quomodo occidit: drie keer stelt Cicero de vraag (in lichte syntaktische variatie) om te benadrukken dat Erucius geen enkele overtuigende mogelijkheid heeft genoemd hoe Roscius zijn vader had kunnen doden, zelfs al had hij het gewild. Daarbij past ook de drievoudige herhaling non quaero – quaero – et ita quaero die het doet voorkomen alsof Cicero nu echt in gesprek gaat met Erucius (zie context).

C. Eruci: de toevoeging van de voornaam maakt de aanspreekvorm eigenlijk hoffelijker, maar hier is het overbeleefd en heeft daardoor uiteindelijk een kleinerend effect (“Ik vraag je, meneer Erucius”).

Hier begint het derde en laatste deel van Cicero’s refutatio. Na een stuk over de persoon van Roscius een tweede deel over de slechte aanklacht van Erucius volgt nu de weerlegging van 'de wijze waarop' van de daad. Het is begrijpelijk dat Cicero hiermee zo laat komt: had hij de speculatie over 'de wijze waarop' vroeger in zijn speech geplaatst, dan had hij bij het publiek de indruk kunnen wekken dat Roscius de misdaad misschien toch zelf gedaan had (of tenminste wilde doen). Nu, nadat Cicero hem al als volledig onschuldig heeft neergezet en ook elk mogelijk motief als onzinnig heeft getoond, kan hij dit technische punt behandelen.

respondendi vel interpellandi tibi potestatem faciam vel … interrogandi: Cicero doet het voorkomen alsof hij nu tijdens zijn speech ruimte inlast voor een altercatio (een snelle afwisseling van vragen en antwoorden) met Erucius. Hij heeft zo'n verbaal duel al vaker ingezet, zie §40, 42 en 54). Het tricolon versterkt het effect van deze aanvallende strategie. Of in de daadwerkelijk uitgesproken speech Erucius de tijd kreeg om te interveniëren is echter maar zeer de vraag (zie §74).