Digressio

Paragraaf 29b

quid primum querar aut unde potissimum, iudices, ordiar aut quod aut a quibus auxilium petam? deorumne immortalium, populine Romani, vestramne qui summam potestatem habetis hoc tempore fidem implorem? 

 

Quid ...implorem: het begin van de nieuwe passage wordt gemarkeerd door een tricolon van dubitatieve vragen (querar – ordiar – petam). Het laatste deel (a quibus auxilium petam) wordt dan door middel van een tricolon crescens uitgewerkt, waarin hij mogelijke adressaten noemt (hulp van de goden, het Romeinse volk of de juryleden). Natuurlijk bedoelt Cicero dat hem de hulp van alle drie de groepen zou moeten toekomen.

Quid ...implorem: het begin van de nieuwe passage wordt gemarkeerd door een tricolon van dubitatieve vragen (querar – ordiar – petam). Het laatste deel (a quibus auxilium petam) wordt dan door middel van een tricolon crescens uitgewerkt, waarin hij mogelijke adressaten noemt (hulp van de goden, het Romeinse volk of de juryleden). Natuurlijk bedoelt Cicero dat hem de hulp van alle drie de groepen zou moeten toekomen.

primum ... ordiar: de begrippen schijnen het begin van iets nieuws te markeren en dus een opmaat voor de argumentatio te zijn. Ze versterken daarmee de verwachting van het publiek dat volgens de regels van de handboeken nu een partitio op zijn plaats zou zijn.

potestatem: potestas is, anders dan potentia, de institutioneel gesanctioneerde macht. Zie §22 voor Sulla’s potestas. De macht van de rechters wordt door Cicero dus expliciet erkend – op dit moment (hoc tempore), dat wil zeggen tijdens het proces, hebben zij de hoogste macht in Rome. Cicero impliceert hier ook mee dat zij in dit proces niet alleen een vonnis in een moordzaak zullen geven, maar dat het proces ook politiek van het grootste belang is.