Digressio

Paragraaf 32

etenim quis tam dissoluto animo est qui haec cum videat tacere ac neglegere possit? patrem meum, cum proscriptus non esset, iugulastis, occisum in proscriptorum numerum rettulistis, me domo mea per vim expulistis, patrimonium meum possidetis. quid voltis amplius? etiamne ad subsellia cum ferro atque telis venistis ut hic aut iuguletis aut condemnetis?

etenim quis ... possit: de retorische vraag maakt duidelijk dat Cicero’s dapperheid eigenlijk eerder lafheid van de overige potentiele patroni is, en het bijna beledigende dissoluto animo maakt duidelijk dat deze lafheid onvergeeflijk is.

‘patrem meum ... possidetis’: Cicero spreekt als Sextus Roscius (prosopopoeia, zie thema stijlfiguren) om de dramatiek van de situatie waarin Roscius zich bevindt sterker te benadrukken.

cum proscriptus non esset, iugulastis – occisum in proscriptorum numerum rettulistis: chiastische herhaling van vergelijkbare woorden (‘proscriptie’ en ‘doden’), maar juist met tegengestelde inhoud. Het stilistische middel benadrukt de dubbele misdaad van de Titi Roscii.

iugulastis ... iuguletis: herhaling van het sterke woord iugulare (zie §29a) om aan te duiden dat de dood van vader Roscius een meedogenloze afslachting was en dat de Titi Roscii vergelijkbare moordpartijen weer zouden kunnen doen. Zie §12 en 13 voor de (onrealistische) suggestie dat Roscius junior voor de ogen van de rechters vermoord zou kunnen worden.

cum proscriptus non esset: vader Roscius werd pas na zijn dood op de proscriptielijsten gezet, zie §21.