Digressio

Paragraaf 35

tres sunt res, quantum ego existimare possum, quae obstent hoc tempore Sex. Roscio, crimen adversariorum et audacia et potentia. criminis confictionem accusator Erucius suscepit, audaciae partis Roscii sibi poposcerunt, Chrysogonus autem, is qui plurimum potest, potentia pugnat. de hisce omnibus rebus me dicere oportere intellego. quid igitur est? 

 

suscepit – partes ... poposcerunt: voor de volgende argumentatio krijgen de tegenstanders als het ware door drie abstracta begrippen (crimen adversariorum – audacia – potentia) hun rollen toebedeeld, net alsof Cicero een toneelstuk wil opvoeren.

confictionem: het woord is zeer ongebruikelijk in een juridische context en verwijst terug naar §30 waar Cicero beweerde dat de tegenpartij een ongelofelijke misdaad heeft verzonnen (crimen incredibile confingunt).

plurimum potest, potentia pugnat: een enorm krachtige alliteratie, verbonden met een figura etymologica (potest potentia, zie thema stijlfiguren), sluit de rolverdeling af en benadrukt dat Chrysogonus de eigenlijke hoofdrol in het proces zal spelen.

tres sunt res: de partitio geeft aan dat Cicero’s volgend pleidooi (de argumentatio) in drie delen ingedeeld is: eerst zijn antwoord op de aanklacht die de accusator Erucius heeft voorgedragen (§37-82), dan de redenen waarom Cicero de Titi Roscii voor schuldig aanziet (§83-123), en dan als hoogtepunt de rol van Chrysogonus als machtige man achter de schermen en opdrachtgever (§124-149). Hoe negatief Cicero de term potentia kleur, zal in §36 blijken.

C. Erucius: een aanklager in Rome over wie behalve uit dit proces weinig bekend is. De aanklager moest in eigen naam de aanklacht indienen – maar natuurlijk kunnen we ons voorstellen dat hij uitvoerig geïnstrueerd werd door de mensen die hem hiervoor betaalden, in dit geval de Titi Roscii of zelfs Chrysogonus (zie thema strafrechtspraak).

audacia: zet de discussie over het begrip audax/audacia voort, zie §31 en als §2.