Narratio

Paragraaf 22

Neque enim mirum, cum eodem tempore et ea quae praeterita sunt sanet et ea quae videntur instare praeparet, cum et pacis constituendae rationem et belli gerendi potestatem solus habeat, cum omnes in unum spectent, unus omnia gubernet, cum tot tantisque negotiis distentus sit ut respirare libere non possit, si aliquid non animadvertat, cum praesertim tam multi occupationem eius observent tempusque aucupentur ut, simul atque ille despexerit, aliquid huiuscemodi moliantur. Huc accedit quod, quamvis ille felix sit, sicut est, tamen in tanta felicitate nemo potest esse in magna familia qui neminem neque servum neque libertum improbum habeat.  

non enim miror ... si: een zeer artistieke periode met vier tussengeschakelde cum-zinnen. De zin rekt de spanning van wat Cicero eigenlijk niet verbazingwekkend vindt. De laatste cum (praesertim)-zin die de si-zin volgt, geeft dan een excuus waarom Sulla van de Roscius-zaak niets heeft meegekregen.

omnes in unum ... unus omnia: chiasme, zie thema stijlfiguren. De uitzonderlijke positie van Sulla (die bijna als een monarch geprezen wordt), wordt hierdoor en door de antithese "allen vs. één" versterkt. Daarbij past ook de uitdrukking potestatem solus habeat net hiervoor.

ut respirare libere non possit: Cicero heeft aan het begin van de speech benadrukt dat de tijden slecht zijn voor het vrije woord, zie thema zelfrepresentatie en het commentaar bij §3 voor het belang van het woord libere. Het is opvallend dat de tijden blijkbaar ook de heerser onvrij maken – hij is gevangen in zijn eigen bezigheden.

felix ... felicitate: Cicero speelt met Sulla's bijnaam Felix ('de Gelukkige'). De toespeling wordt door de tussenzin sicut est benadrukt.

De hele alinea is zeer lovend en herinnert in sommige delen aan een panegyricus op een vorst (alle kijken naar hem, hij alleen maakt de staat weer gezond etc.). Dat benadrukt de enorm invloedrijke positie die Sulla op dat moment heeft, zie thema politieke context.

potestatem: Anders dan Chrysogonus die slechts over potentia beschikt (zie commentaar bij §6), kent Cicero Sulla potestas toe, politieke macht die op auctoritas berust.

familia: de metafoor van de staat als familie en de heerser als de pater familias doet denken aan de eretitel pater patriae, vader des vaderlands. Volgens Plutarchus werd Sulla in 81 v.Chr. tijdens zijn triomftocht als sôtêr kai patêr ('redder en vader') geprezen.

libertum: maakt de algemene metafoor ("in elke goede familie zijn een paar slechte slaven") concreet op de situatie toepasbaar: Chrysogonus is Sulla's vrijgelatene, zie commentaar bij §6.

simul atque ille despexerit: 'zodra hij zal hebben neergekeken' d.w.z. 'zodra hij zijn aandacht zal hebben laten verslappen'.  

huc accedit quod: 'Hier komt nog bij dat ...'

qui ... habeat: de coni. is definiërend-consecutief: 'die (zodanig is dat hij) ... heeft'.