Narratio

Paragraaf 26

Vsque adeo autem ille pertimuerat ut mori mallet quam de his rebus Sullam doceri. Homines antiqui, qui ex sua natura ceteros fingerent, cum ille confirmaret sese nomen Sex. Rosci de tabulis exempturum, praedia vacua filio traditurum, cumque id ita futurum T. Roscius Capito, qui in decem legatis erat, appromitteret, crediderunt; Ameriam re inorata reverterunt. Ac primo rem differre cotidie ac procrastinare isti coeperunt, deinde aliquanto lentius nihil agere atque deludere, postremo, id quod facile intellectum est, insidias vitae huiusce Sex. Rosci parare neque sese arbitrari posse diutius alienam pecuniam domino incolumi obtinere.   

mori mallet: overdreven en daardoor komische formulering; Chrysogonus' gedrag wordt hierdoor neergezet als weinig serieus en te zeer gedreven door zijn emoties, Misschien is de formulering ook gebruikt om hem een beetje belachelijk te maken. De alliteratie versterkt het effect, zie thema stijlfiguren.

aliquanto lentius nihil agere: verrassende woordkeuze met een oxymoron, zie thema stilfiguren: na de twee werkwoorden differre en procrastinare  zou men eerder iets verwachten als aliquid lentius rem agere. Het onverwachte en paradoxale nihil (hoe kun je, als je niets doet, dat langzamer of sneller doen?) krijgt daardoor een enorme nadruk.

homines antiqui: de inwoners van Ameria hebben de ouderwetse mos maiorum bewaard. Zij geloven dat alle mensen zo denken en voelen als zij – en hebben het mis. Deze toevoeging is exemplarisch voor de tegenstelling die Cicero tussen het goede, ouderwets leven op het platteland (en in kleinere steden) en het politieke en morele zedenbederf in het hedendaagse Rome schetst.

nomen Sex. Roscii de tabulis exempturum: geeft aan hoeveel invloed de vrijgelatene Chrysogonus blijkbaar had (of tenminste dacht te hebben): hij kan besluiten wiens namen van de proscriptielijst verwijderd worden!

T. Roscius Capito: waarom Roscius door de decuriones in Ameria is gekozen om lid van het gezantschap te zijn hoewel hij al in het bezit van delen van het land van Sextus Roscius is (zie §21: tria funda vel nobilissima), is onduidelijk. Men heeft gesuggereerd dat Cicero met de chronologie sjoemelt en dat Capito de drie landgoederen pas later als beloning voor zijn rol in dit gezantschap heeft gekregen.

usque adeo ... ut: 'zo(zeer) ... dat' (vgl. usque eo ... ut in §24). 

ille: Chrysogonus. 

homines antiqui: 'mannen van de oude stempel', subject van het hoofdwerkwoord crediderunt aan het einde van de zin.

qui ex sua natura ceteros fingerent: 'die op basis van hun eigen karakter (hun beeld van) anderen vormden'; zij geloofden dus -- tamelijk naïef -- dat anderen uit hetzelfde deugdzame hout gesneden waren als zijzelf. 

exempturum: vul aan esse, inf. futuri van eximere ('weghalen, schrappen'). 

vacua: 'vrij, onbezet', d.w.z. zonder eigenaar.

cumque id ita futurm T. Roscio Capito ... appromitteret: lees et cum T. Roscio Capito ... appromitteret id ita futurum [esse]. 

re inorata: abl. absolutus 'hun zaak niet voorgedragen (zijnde)' d.w.z. 'zonder hun zaak te hebben voorgedragen'

procrastinare: 'uitstellen, verdagen' (vgl. crastinus). 

aliquanto lentius: aliquanto + comparativus = 'heel wat ...'