Narratio

Paragraaf 27

Quod hic simul atque sensit, de amicorum cognatorumque sententia Romam confugit et sese ad Caeciliam, Nepotis sororem, Baliarici filiam, quam honoris causa nomino, contulit, qua pater usus erat plurimum. In qua muliere, iudices, etiamnunc, id quod omnes semper existimaverunt, quasi exempli causa vestigia antiqui offici remanent. Ea Sex. Roscium inopem, eiectum domo atque expulsum ex suis bonis, fugientem latronum tela et minas recepit domum hospitique oppresso iam desperatoque ab omnibus opitulata est. Eius virtute, fide, diligentia factum est ut hic potius vivus in reos quam occisus in proscriptos referretur.  

desperato ab omnibus opitulata est [Caecilia]: de tegenstelling tussen de rest van de Romeinen die Roscius niet helpen en Caecilia die dat wel doet wordt versterkt door deze antithese (desperato – opitulata; ab omnibus – [Caecilia]), zie thema stijlfiguren.

inopem ... eiectum domi ... expulsum ex suis bonis ... fugientem latronum tela: de karakterisering sluit nauw aan bij §20 (inopia) en 23 (nudum eiecit domo), zie commentaar daar over de pathetische beelden en het opwekken van medelijden.

virtute, fide, diligentia: tegenover de zieligheid van Roscius staat Caecilia's edele houding. Het tricolon vat haar uitzonderlijke en prijswaardige gedrag nog eens samen: zij alleen heeft Roscius' leven gered.

Caecilia: in Rome zelf zijn geen mannen meer te vinden die zo veel dapperheid en republikeinse idealisme in zich dragen dat ze Roscius junior zouden helpen (cf. ook het begin van de speech in §1a: de homines nobilissimi blijven zitten). Caecilia wordt honoris causa door Cicero genoemd (zoals Sulla in §6) en verkrijgt in deze korte alinea alle ingrediënten van een heroïsch voorbeeld (exempli causa). Zij is vergelijkbaar met de homines antiqui uit Ameria (zie § 26) omdat zij als enige in Rome aan het oude plichtgevoel (vestigia antiqui officii) vasthoudt. Zij en Roscius vormen een ouderwets stel van republikeinse exemplariteit in Cicero’s verhaal (zie §13 en 15 voor de exemplariteit van vader en zoon Roscius). In Rome is alleen nog één andere persoon met haar te vergelijken: Cicero zelf! Hij durft immers ook als enige Roscius te helpen door hem te verdedigen.

Nepotis sororem, Baliarici filiam: Caecilia's vader was Q. Caecilius Metellus Baliaricus, consul in 123 v.Chr. Haar broer Q. Caecilius Metellus Nepos was consul in 98 v.Chr. Dat Roscius geholpen wordt door een lid van een zo hoogstaande familie, past bij het beeld van vader Roscius als vriend van de aristocratie in §15 en 21.

exempli causa: dat een vrouw een exemplum van virtus is en de mannen als het ware laat zien hoe zij zich zouden moeten gedragen, is niet ongekend in Rome, maar toch zeker opvallend. De bijzonderheid wordt versterkt door in qua muliere aan het begin van de periode te plaatsen. Zie ook §147 waar de tegenstelling mulier – virtus door de woordvolgorde extra benadrukt wordt.

simul atque: 'zodra'.

sese ... contulit: vgl. aantekening ad §17.

quā ... usus erat: uti + abl. hier in de betekenis 'omgaan met, omgang hebben met'.

antiqui officii: 'het plichtsbesef van weleer' (vroeger was alles immers beter). 

opitulata est: opitulari + dat. = 'hulp verlenen, bijstaan'.

potius ... quam: 'eerder/liever ... dan'