Narratio

Paragraaf 28

Nam postquam isti intellexerunt summa diligentia vitam Sex. Rosci custodiri neque sibi ullam caedis faciendae potestatem dari, consilium ceperunt plenum sceleris et audaciae ut nomen huius de parricidio deferrent, ut ad eam rem aliquem accusatorem veterem compararent qui de ea re posset dicere aliquid in qua re nulla subesset suspicio, denique ut, quoniam crimine non poterant, tempore ipso pugnarent. Ita loqui homines: quod iudicia tam diu facta non essent, condemnari eum oportere qui primus in iudicium adductus esset; huic autem patronos propter Chrysogoni gratiam defuturos; de bonorum venditione et de ista societate verbum esse facturum neminem; ipso nomine parricidi et atrocitate criminis fore ut hic nullo negotio tolleretur, cum ab nullo defensus esset.  

sceleris et audaciae: voor de combinatie van de twee woorden, zie commentaar bij §7.

accusatorem veterem: terwijl antiquus een positief adjectief is en de kant van Sextus Roscius karakteriseert (zie §26 en 27), gebruikt Cicero vetus hier en eerder (zie §17 vetus gladiator) voor de tegenpartij. Later zal blijken dat de aanklager Erucius niet veel werk van zijn aanklacht heeft gemaakt en het teveel op zijn routine aan heeft laten komen omdat hij de zaak als gesneden koek beschouwde. Voor Cicero's verachting van Erucius, zie bijv. §43 en 54.

ad eam rem ... de ea re ... in qua re: extreem pleonastisch taalgebruik; in combinatie met het homoioteleuton (zie thema stijlfiguren) rem aliquem accusatorem veterem wordt een komisch effect bereikt dat de absurditeit van het plan van Cicero’s tegenpartij benadrukt.

dicere aliquid: versterkt de indruk dat de tegenpartij te zeker van haar overwinning is en daarom weinig aandacht aan het proces heeft besteed; als de aanklager maar iets zou zeggen, zou dat al genoeg zijn.

nullo negotio: zie commentaar bij §20 voor dezelfde formulering. Hier versterkt door de woordherhaling cum a nullo defensus esset.

atrocitate sceleris: ook in de argumentatio, in §38 (tam atroci maleficio) en 62 (res tam scelesta, tam atrox) benadrukt Cicero twee keer dat vadermoord een scelus atrox is. Hij doet dat om aan te geven hoe roekeloos de tegenpartij is als zij het aandurft om een onschuldige, zielige man van de ergste misdaad te beschuldigen.

de parricidio: pas nu, aan het eind van de narratio, noemt Cicero de misdaad waarvoor Roscius aangeklaagd is; zo maakt hij opnieuw duidelijk dat het formele proces wegens moord niet relevant is, maar dat het hier in feite gaat om een politiek proces.

quod iudicia tam diu facta non essent: zie commentaar bij §11.

neque sibi ullam caedis faciendae potestatem dari: 'en dat aan hen geen enkele gelegenheid werd gegeven om een moord te plegen'. 

consilium ceperunt: de inhoud van dit consilium wordt uitgewerkt in de ut-zinnen die volgen. 

ut nomen huius de parricidio deferrent: nomen deferre de + abl. = 'een naam (aan het gerecht) aanbrengen wegens', d.w.z. 'iemand aanklagen wegens' (juridisch taalgebruik). 

compararent: comparare hier in de betekenis 'aanschaffen, verwerven, in de arm nemen'. 

de ea re ... in qua re: de formulering is ietwat pleonastisch. 

quoniam crimine non poterant: vul aan pugnare; crimen hier in de betekenis '(gegronde) aanklacht'.

ita loqui homines: in de rest van deze paragraaf geeft Cicero, in indirecte rede (oratio obliqua), de vermeende gedachtegang van de aanklagers weer. De puntkomma's zijn een gebruikelijke typografische aanwijzing dat het hier om een passage in indirecte rede gaat. 

gratiam: vertaal 'invloed'.

verbum esse facturum: verbum facere = 'met een woord reppen'. 

fore: = futurum esse

tolleretur: vgl. aantekening ad §20.