Stijlfiguren

De onderstaande lijst biedt geen volledig overzicht van stijlfiguren in de Latijnse literatuur: er zouden vele stijlfiguren aan kunnen worden toegevoegd en over de wel genoemde stijlfiguren valt uiteraard meer te zeggen. De lijst is enkel bedoeld als korte toelichting bij de stilistische termen die in het commentaar worden genoemd. De voorbeelden zijn afkomstig uit Pro Sex. Roscio Amerino. 

alliteratie (beginrijm): twee of meer woorden (of lettergrepen) beginnen met dezelfde medeklinker. Bijv. Te quoque magnopere, M. Fanni, quaeso ut, qualem (§11).

anaphora: herhaling van hetzelfde woord (of dezelfde woorden) aan het begin van opeenvolgende zinnen of zinsdelen. Bijv. neque satis me commode dicere neque satis graviter conqueri neque satis libere vociferari posse intellego (§9).

antithese: twee tegenstelde begrippen of gedachten worden tegenover elkaar geplaatst. Bijv. cum tot summi oratores hominesque nobilissimi sedeant, ego potissimum surrexerim (§1a)apostrophe

apostrophe: het directe aanspreken van een of meerdere persoen of soms zelfs zaken. Bijv. §38 waar Cicero de aanklager Erucius aanspreekt (tu).

assonantie (klinkerrijm): overeenkomst tussen woorden door het gebruik van dezelfde klinkers. Bijv. Neque enim, iudices, iniuria metuebat (§17).

asyndeton: zinnen of zinsdelen worden achter elkaar geplaatst zonder voegwoord (zoals ut) of connector (zoals et of sed); als er sprake is van een tegenstelling, dan spreken we van een adversatief asyndeton. Bijv. defendi, defendere (§1b): dit is een adversatief asyndeton, want achter de komma had sed kunnen staan.  

chiasme (kruisstelling): bij twee zinnen of zinsdelen worden de overeenkomstige elementen gerangschikt volgens het patroon ABBA. Bijv. summi oratores hominesque nobilissimi (§1a).

climax (of anticlimax): reeks van zinnen of zinsdelen die qua inhoud of qua vorm een stijgende (of dalende) lijn vertonen. Bijv. (anticlimax) causa criminis ... facti suspicatio ... minima res (§8). 

figura etymologica: herhaling van woorden die van de zelfde stam afgeleid zijn maar tot verschillende woordsoorten horen. Bijv. potest potentia (§35).

homoioteleuton: opeenvolging van twee of meer woorden met een gelijkluidend einde. Bijv. non electus, sed relictus (§5).

hyperbaton (overstap): twee woorden die bij elkaar horen worden uit elkaar geplaatst, waardoor het laatstgenoemde woord extra wordt benadrukt. Bijv. mors hominis florentissimi Sex. Rosci crudelissima (§24). 

hyperbool: overdrijving. Bijv. quo facilius et huius hominis innocentissimi miserias et illorum audacias cognoscere possitis et rei publicae calamitatem (§14).

ironie: het tegenovergestelde van wat bedoeld is, wordt gezegd. Bijv. callidior (§49).

litotes: formulering waarbij iets wordt aangeduid door het tegendeel ervan te ontkennen. Bijv. nonnihil (§8).

oxymoron: combinatie van twee woorden die elkaar in hun betekenis tegensprekeb. Bijv. zwarte melk of lentius nihil agere, §26.

polyptoton: herhaling van een woord in verbogen of vervoegde vorm. Bijv. defendi, defendere (§1b).

polysyndeton: nadrukkelijke herhaling van voegwoord of connector bij opeenvolgende woorden, zinsdelen of zinnen. Bijv. neque aetate neque ingenio neque auctoritate (§1a).

prosopopoeia: de spreker legt een andere persoon woorden in de mond; hij spreekt als het ware in de rol van iemand anders (§32).

repetitio: herhaling. Bijv. dixisset ... dixisse ... dixisset (§2).

retorische vraag: een vraag die niet gesteld wordt om beantwoord te worden, maar om een zekerheid of verontwaardiging uit te drukken. Bijv. quid ergo? audacissimus ego ex omnibus? minime (§2).  

tricolon: een zin (of zinsdeel) die (of dat) uit drie geledingen bestaat. Als de drie delen qua vorm en/of inhoud een stijgende lijn vertonen, dan spreken we van een tricolon crescens. Bijv. neque aetate neque ingenio neque auctoritate (§1a).