Strafrechtspraak

Ten tijde van de Romeinse Republiek behoorde de strafrechtspraak  niet tot de taken van de overheid. Er was niet een openbare aanklager en er waren geen door de overheid betaalde rechters. Wel werden vanaf het midden van de 2e eeuw voor Chr. bij wet uit burgers bestaande rechtbanken ingesteld. Dit gebeurde  eerst alleen voor één misdrijf, namelijk afpersing van inwoners van een provincie door de Romeinse gouverneur. Tijdens de dictatuur van Sulla (82-81 vC)  werd dit systeem uitgebreid naar een heel scala van vaak politiek getinte misdrijven. Een hoge magistraat (praetor) was voorzitter van de rechtbank. Hij stelde aan het begin van zijn ambtsjaar een lijst op van burgers die dat jaar als rechters konden optreden. Zelf sprak hij geen recht.

Geen openbare aanklager
Elke respectabele burger, niet alleen de gelaedeerde, kon een aanklacht indienen. Uiteindelijk kon echter slechts één persoon als aanklager optreden. Waren er meer gegadigden, dan moest eventueel in een procedure worden vastgesteld wie de aanklacht mocht indienen. Het bekendste voorbeeld is dat van Cicero die Verres mocht aanklagen wegens afpersing in Sicilië. De aanklacht moest betrekking hebben op een bij wet vastgesteld misdrijf, zoals omkoperij bij verkiezingen, vervalsing van akten en moord. Iedereen kon worden aangeklaagd: vrij en slaaf, man en vrouw, burger en vreemdeling. De aanklacht moest worden ingediend bij de praetor.

Juryrechtbank
Nam de praetor de aanklacht aan, dan werd ad hoc een juryrechtbank samengesteld. Dit was een politiek zeer gevoelige kwestie. Oorspronkelijk kwamen alleen burgers uit de senatorenstand hiervoor in aanmerking. Op voorstel van Gaius Gracchus werden zij vervangen door burgers uit de ridderstand. Sulla verdubbelde het aantal senatoren maar beperkte de juryrechtbanken weer tot de senatorenstand. Een rechtbank bestond toen uit enige tientallen gezworenen. Vanaf 70 vC werden ook juryleden uit de ridderstand gerekruteerd en werden de juryrechtbanken twee maal zo groot. Waarschijnlijk mochten partijen een aantal van de rechters afwijzen, bijvoorbeeld wegens vermeende partijdigheid.

Gang van zaken
Het proces begon met een lange redevoering van de aanklager waarin de beschuldiging in detail werd beschreven. Dan mocht de aangeklaagde het woord voeren. Anders dan de aanklager, mocht deze zich laten bijstaan door één of meer advocaten. Zij waren het die gewoonlijk namens hun cliënt een pleidooi hielden. Vervolgens moest de aanklager zijn bewijsmiddelen presenteren, gevolgd door die van de verdediging. Getuigenverklaringen werden als de belangrijkste bewijsmiddel beschouwd. Ook slaven mochten als getuigen gehoord worden, maar hiervoor golden wel allerlei beperkingen.

Het vonnis
De juryrechtbank kwam na een geheime stemming tot een vonnis: veroordeling of vrijspraak. Het   vonnis werd uitgesproken door de magistraat. De straffen verschilden per misdrijf. Het kon bij voorbeeld gaan om confiscatie van het vermogen, al dan niet tijdelijke verbanning, en de doodstraf. Bij vrijspraak kon de aanklager op zijn beurt worden aangeklaagd wegens valse beschuldiging. De juryrechtbank besliste dan ook hierover. Het was niet mogelijk in beroep te gaan tegen het vonnis.

Voor een printversie van deze tekst, zie